De werking van GOLIATH valt in vier thematische clusters uiteen:
1. Lyriek
Coördinatoren: F. Willaert (Antwerpen), E. Stronks (Utrecht), L. Gosseye (Gent), en L. Jensen (Nijmegen)
De aandacht gaat onder meer uit naar de bepaling van het lyrische door specifieke ontwikkelingen binnen het religieuze discours en de geleidelijke autonomisering van de lyriek. Daarnaast komen er de volgende thema’s aan de orde:
- de impact van het cultuurhistorische fenomeen van de ‘bekentenis’ op de ontwikkeling van het lyrische genre (belijdenislyriek van de middeleeuwen tot de 18de eeuw)
- de spanningsverhouding tussen ‘erotische’ en ‘religieuze’ lyriek en de impact daarvan op literaire ontwikkelingen,
- de verhouding van lyriek tot culturele opvattingen van subjectiviteit in de overgang van de 12de eeuw naar de 'volle' Renaissance
2. Epiek
Coördinatoren: B. Besamusca (Utrecht), A. Faems (Leuven), C. Madelein (Gent) en W. Van Anrooij (Leiden)
In deze cluster wordt onderzoek verricht naar het vooralsnog weinig bestudeerde fenomeen van de vroegmoderne roman, waarbij tegelijk aandacht wordt gevraagd voor de relatie daarvan tot laatmiddeleeuwse epische vormen van vertellen, zoals de doorwerking van de ‘prozaroman’, en tot latere ontwikkelingen in het genre aan het begin van de 18de eeuw. Ook het subgenre van de epische poëzie komt in deze cluster aan bod.
3. Dramatiek
Coördinatoren: F-W Korsten (Leiden), K. Van der Haven (Gent), H. Meeus (Antwerpen) en B. Noak (Berlijn)
In deze cluster gaat de aandacht vooral uitgaan naar het professionele toneel. Deze cluster ambieert om een beter en scherper inzicht in de mogelijke continuïteit tussen de laatmiddeleeuwse theatercultuur en de vroegmoderne dramapraktijk te verschaffen. Toneelteksten maakten al vroeg deel uit van een sterk geïnstitutionaliseerd ruimte, namelijk die van het theater. Niet alleen verscheidene maatschappelijke instanties, maar ook vroege literaire instituties (rederijkerskamers, genootschappen) bepaalden de voorwaarden en kaders van de toneelproductie. De theatergeschiedenis van voor en na 1750 kenmerkt zich daarom zeker niet alleen door breuken, maar juist ook door een grote continuïteit.
4. Literatuurgeschiedenis
Coördinatoren: J. Pieters en Y. Desplenter (Gent), A. Guiderdoni (Louvain-la-Neuve) en A. Visser (Utrecht)
In deze cluster worden de vroegste bronnen voor onze kennis van het literatuurbegrip onderzocht. De studie van de voorgeschiedenis van het moderne literatuurconcept moet vanzelfsprekend ook aandacht besteden aan de historiografie van het bestudeerde fenomeen en de vraag stellen hoe in de vroegste fasen van die historiografie het literaire fenomeen werd geconceptualiseerd. Aandachtspunten zijn onder meer:
- de verhouding van vroege levensschetsen van auteurs tot het hagiografische genre
- conceptualiseringen van het auteursbegrip in de overgang van de late Middeleeuwen naar de vroege moderniteit (mogelijke casussen zijn Hadewijch, Alijt Bake, Ruusbroec
- de verhouding tussen de opkomst van publicaties in de volkstaal en de opkomst van het literatuurbegrip, reflecties over leespraktijken en leescultuur
Binnen elk van deze clusters is het de bedoeling traditionele 'partis pris' te problematiseren en op die manier de basis te leggen voor toekomstig onderzoek. Binnen elk van de eerste drie clusters worden specifieke onderzoeksitems uitgewerkt door groepen onderzoekers, terwijl de vierde cluster functioneert als de plaats waar enerzijds algemene historiografische problemen aan de orde zijn en anderzijds de behaalde resultaten uit de eerste drie clusters worden gethematiseerd en besproken.
